Vrije toegang tot juridische informatie: een democratische én budgettaire kans

Partager ce Post :

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin

Edere maand verspreiden een vierhonderdtal juridische tijdschriften honderden artikels over de Belgische en Europese rechtspraak en wetgeving. Deze artikels worden geschreven door of in samenwerking met specialisten uit de publieke (wetgever, rechters, professoren, onderzoekers en griffiers) en privésector (advocaten, notarissen, deurwaarders en bedrijfsjuristen) en behandelen kwesties van algemeen belang, zoals de rechtsactualiteit, de uitspraken van hoven en rechtbanken, maar ook onderwerpen uit de rechtsleer. Op dit laatste aspect gaan we hier echter niet dieper in.

Zowel van de auteurs als van de evaluatoren vereisen deze artikels een uitgebreide, grondige en technische kennis van het recht. Ze worden gelezen, geëvalueerd en vervolgens goedgekeurd of afgewezen door collega’s (peer reviewing), die de artikels persklaar maken (edition).

Hoewel sommige juridische tijdschriften hun auteurs soms vergoeden, is die vergoeding vooral symbolisch en hangt ze af van de reputatie van het tijdschrift. En die reputatie wordt dan weer bepaald door het aantal jaargangen en lezers en de uitgeverij (publisher) van het tijdschrift.

Bij gebrek aan een openbare uitgeverij konden de auteurs lange tijd niet anders dan handelstussenpersonen in te schakelen voor het opmaken, drukken, nalezen en verspreiden van de artikels. Vandaag rijst de vraag naar het wettelijke kader van deze praktijken, maar ook naar de toegang tot publicaties en de exorbitante prijs hiervan voor de doorsnee burger.

Welk aandeel van de rechtspraak is trouwens echt toegankelijk, zelfs voor mensen uit het vak die het gevraagde bedrag kunnen neertellen? Deze vragen zijn des te relevanter in deze tijden van Open Science (volgens deze beweging is kennis een openbaar goed waartoe de toegang vrij en gratis moet zijn), e-government (het gebruik van ICT door de openbare besturen om hun interne werking te verbeteren en overheidsdiensten vlotter toegankelijk te maken voor de gebruikers) en sociale media (voor directe, kosteloze en grootschalige publicaties).

Een verantwoorde prijs?

Om een concreet voorbeeld te geven: Juffrouw A, rechtenstudente, mijnheer B, journalist, en mevrouw C, voorzitster van een vereniging, zouden graag toegang krijgen tot bepaalde informatie over de wetgeving en rechtspraak. Met heel veel geluk zullen ze die informatie vinden op Juridat, het portaal van de rechterlijke macht, waar een onfeilbaar deel van de uitspraken sinds 1945 verzameld waren.

Anders kunnen ze langsgaan in de bibliotheek van de universiteit (voor A) of de teksten ‘per stuk’ of via een abonnement online kopen (voor B en C) op de websites Jura of Strada. Maar deze opties kosten veel geld voor de gemeenschap, die een groot deel van de intellectuele praktijken op het gebied van tekstredactie en -opmaak alsook het budget van de universiteitsbibliotheek financiert.

Waarom moet men dan nog extra betalen voor de toegang tot deze informatie van algemeen belang? Omdat de technische praktijken, die erg beperkt blijven maar wel noodzakelijk zijn, ten laste genomen worden door de markt en niet door de Staat? Maar hebben we hier nog wel te maken met een markt?

Volgens Richard Swedberg mogen we spreken van een markt wanneer de concurrentieverhoudingen (tussen meerdere aanbieders enerzijds en meerdere vragers anderzijds) aanleiding geven tot één of meerdere wederzijdse betrekkingen (bijvoorbeeld tussen de aanbieder en de vrager die het wonnen van hun concurrenten).

Aan de aanbodzijde moet de concurrentie echter wijken voor een tweeledige beweging van concentratie en massificatie. Concentratie omdat de kleine uitgeverijen geleidelijk overgenomen worden door alsmaar grotere multinationals (zoals Larcier en Wolters Kluwer in België), waarvan het aanzien groeit en afstraalt op de auteurs. Massificatie omdat de constante toename van het aantal wetten, vonnissen en arresten, in combinatie met de stijging van de (vooral publieke) onderzoeksfinancieringen, leidt tot een massa publicaties in tijdschriften, bladen en collecties die alsmaar talrijker en gespecialiseerder worden.

Concentratie en massificatie werken een prijsstijging in de hand, terwijl echte concurrentie de prijzen wellicht net zou kunnen drukken. Aan de vraagzijde zien we dat de vragers ‘gevangen’ zitten. Burgers A, B en C hebben geen andere keus dan te betalen voor toegang tot de informatie, ook al wonen ze in een stad waar de universiteit, het Justitiepaleis, de hogescholen en de gemeentelijke, gewestelijke en provinciale besturen allemaal een exclusief en identiek abonnement hebben dat openbaar gefinancierd wordt.

Rechtvaardigt de huidige situatie, die zich kenmerkt door een oligopolie van uitgevers, dan de prijs van juridische publicaties en dat de lezers en de Staat gevangen gehouden worden? Ter illustratie: in een verslag van 2014 werden de kosten voor de toegang tot rechtsbronnen voor de rechtsorde (dus betaald door de FOD Justitie) in 2012 geraamd op 11,6 miljoen euro voor “papieren” toegang en meer dan 1,5 miljoen euro voor digitale toegang.

Intussen is de situatie veranderd. Magistraten en griffiers krijgen nauwelijks nog papieren tijdschriften. De digitale toegang is ook zeer beperkt omdat de budgetten drastisch zijn verlaagd en nu worden beheerd door het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding. Het Instituut onderhandelt met uitgeverijen. Dit werpt licht op de terughoudendheid van de rechtelijke orde om vonnissen en beslissingen aan uitgevers door te geven en in digitale vorm ter beschikking te stellen van het publiek.

Te beperkende toegangsvoorwaarden

Sinds een aantal jaar zetten de juridische uitgevers in op digitalisering in het kader van hun strategisch innovatie- en communicatiebeleid, waarbij ze regelmatig nieuwe diensten op basis van artificiële intelligentie aankondigen. Hoewel het nu mogelijk is om op elektronische wijze toegang te hebben tot de informatie, zorgt de prijs ervoor dat die toegang beperkt blijft voor de universiteits- en rechtsbibliotheken maar ook voor de advocatenkantoren die over voldoende budget beschikken.

De toegangsvoorwaarden zijn vaak beperkend en zijn nu eens gebaseerd op het verbod om de bronnen naar een externe ontvanger (de universiteit of het advocatenkantoor) te sturen, dan weer op een raadpleging enkel op beeldscherm (screen only), en dan is er nog de verplichting om langs het intranet of zelfs het gebouw van de geabonneerde organisatie te gaan.

Deze voorwaarden zijn te verklaren door de handelsvoorschriften die prevaleren in de sector. Maar erg logisch zijn ze daarom niet. Hoe valt zo’n hoge prijs te verdedigen voor zo’n beperkend gebruik dat niet alleen problemen geeft voor de lezers maar ook voor de auteurs?

In een kenniseconomie is er immers een direct verband tussen de waarde en de verspreiding van een publicatie: hoe minder een publicatie circuleert, hoe minder ze waard is. Ook op politiek en juridisch vlak geeft dit problemen. Want Open Science lijkt de norm te worden in de academische wereld, net waar het recht onderwezen wordt.

Dit is ook de richting opgesteld door het Actieplan open data 2020-2024, waarbij de nadruk ligt op “meer open data beter bruikbaar maken”. En dit snel, grootschalig, vrij en gratis. Moet het kader van dit decreet niet uitgebreid worden naar magistraten en advocaten die soms de functie van docent cumuleren?

Democratische noodzaak

Laten we duidelijk zijn: zonder de juridische uitgeverijen zou vandaag niemand toegang hebben tot juridische bronnen. Uiteindelijk hebben zij de cruciale taak op zich genomen om deze hulpmiddelen te archiveren en te verspreiden en voorkomen zij dat ze vervalst worden. In dit digitale tijdperk moet hun rol opnieuw vastgelegd worden, net als die van de Staat.

Als de digitalisering voor ‘grote’ uitgeverijen een kans is om winst te maken, vormt ze voor de rechtsstaat dan geen kans om eindelijk een van de taken op zich te nemen die lange tijd geprivatiseerd waren? Heeft de Staat, die onder meer als taak heeft om handelsactiviteiten te omkaderen, hier dan niet de kans om eindelijk de activiteiten van particuliere tussenpersonen te reglementeren op iets dat steeds minder weg heeft van een markt van openbare goederen?

Kan de Staat zich vanuit die optiek niet baseren op burgerinitiatieven, zoals openjustice.be, die bewijzen dat de burgermaatschappij geen optelsom van passieve, gevangen consumenten is maar wel een drijvende kracht voor gemeenschappelijke diensten? Kan de Staat voortbouwen op het idee van het delen van gemeenschappelijke goederen, dat ontsproten is in de herziening van artikel 149 van de Grondwet?


Deze tekst is ondertekend door Christophe Dubois (docent Sociologie, ULiege), Pieterjan Montens (Betagouv/dinum), Anne-Sophie Vandendooren (juriste en developer), Renaud Hoyoux (developer), Jeoffrey Vigneron (advocaat aan de balie van Brussel, lawgitech.eu) en Zorana Rosic (onderzoekster aan de UNamur), Martin Erpicum (ULiege) en Thomas Deridder (advocaat aan de balie van Brussel, equal-partners) voor het collectief OpenJustice.be

Lees meer: https://www.apache.be/gastbijdragen/2020/07/15/vrije-toegang-tot-juridische-informatie-een-democratische-en-budgettaire-kans/ © Apache

Restez avec nous!

Decouvrez nos autres post

FR
FR NL